Begrippenlijst

Deze begrippenlijst bevat momenteel alleen begrippen gerelateerd aan opties.

A

aandelenoptie
Een verhandelbaar recht tot het kopen of verkopen van een pakket aandelen tegen een vooraf vastgestelde prijs tot een bepaald moment in de toekomst.

Aanwijzing
Het aanwijzen van een optiebelegger met een geschreven positie. Die belegger moet bij aanwijzing zijn verplichtingen nakomen op grond van diens contract. Bij een calloptie moet de schrijver de onderliggende waarde leveren, bij een putoptie afnemen tegen de uitoefenprijs.

Afdekken
Een belegger kan het mogelijke risico van een bepaalde positie in effecten verminderen door een tegengestelde positie aan te gaan; zo dekt hij de bestaande positie af. Een mogelijke koersdaling van een aandelenportefeuille kan men bijvoorbeeld opvangen door een putoptie te kopen. Het afdekken van een risico noemt men ook wel ‘hedgen’.

Afloopdatum
De datum waarop een optie ophoudt te bestaan ofwel expireert. De afloopdatum noemt men ook wel ‘expiratiedatum’. Voor opties genoteerd op de optiebeurs in Amsterdam is de afloopdatum de derde vrijdag van de afloopmaand, tenzij dat geen handelsdag is. Voor dag- en weekopties gelden andere regels.

Afloopmaand
De maand waarin een optie ophoudt te bestaan (expireert).

Afrekenkoers
De koers van de onderliggende waarde waarop afrekening plaatsvindt van opties op expiratiedag.
Bij opties op de AEX-index® is deze koers het gemiddelde van de 31 noteringen die op de laatste handelsdag elke hele minuut van 15.30 tot en met 16.00 uur tot stand komen. Zie ook ‘EDSP’.

Amerikaanse stijl
Er zijn opties met ‘Amerikaanse stijl’ en opties met ‘Europese stijl’. Het verschil tussen beide optiestijlen is het moment waarop uitoefening mogelijk is. Een optie met Amerikaanse stijl is gedurende de gehele looptijd uitoefenbaar; een optie met Europese stijl uitsluitend aan het einde van de looptijd. Beide soorten zijn gedurende de gehele looptijd verhandelbaar.

Ask
Vraagprijs of laatprijs. De prijs die de ‘markt’ vraagt voor de verkoop van een bepaald effect.

Assignment
Zie ‘Aanwijzing’.

At-the-money-optie
Een optie is at-the-money als de uitoefenprijs (vrijwel) gelijk is aan de actuele koers van de onderliggende waarde.

B

Basket
Engels voor ‘mand(je)’. Een pakket aandelen volgens de samenstelling van bijvoorbeeld de AEX-index®.

Beweeglijkheid
De mate waarin de koers van een effect verandert, beweegt. Beweeglijkheid duidt men ook wel aan met de Engelse term ‘volatility’. Beweeglijkheid is een van de factoren die een rol spelen bij de bepaling van de prijs van een optie.

Bid
Biedprijs. De prijs die door de ‘markt’ biedt voor de aankoop van een bepaald effect.

Bieden
Het afgeven van prijzen waartegen men effecten wil kopen. Het tegenovergestelde van ‘bieden’ is ‘laten’.

Biedprijs
De prijs die de ‘markt’ wil betalen voor de aankoop van een bepaald effect.

Black & Scholes-formule
Een door de Amerikaanse economen Fischer Black en Myron Scholes ontwikkelde wiskundige formule om de theoretische waarde van een optie met Europese stijl te berekenen. In 1997 ontving Myron Scholes, samen met Robert Merton, de Nobelprijs voor economie voor waarderingsmodellen voor derivaten.

Box
Het combineren van twee ‘synthetics’ met verschillende uitoefenprijzen maar dezelfde looptijd noemt men een ‘box’.

C

Calloptie

Een verhandelbaar recht om op een bepaald moment in de toekomst een afgesproken hoeveelheid onderliggende waarde te kopen tegen een vooraf afgesproken prijs.

Call-putratio
De verhouding tussen het aantal verhandelde call- en putopties. Is de call-putratio op een bepaalde dag bijvoorbeeld 1.56, dan  betekent dit dat er ruim 50% meer call- dan putopties zijn verhandeld.

Cash settlement
De afwikkeling van een derivatenpositie tegen geld in plaats van tegen levering van de onderliggende waarde. Cash settlement heet ook wel ‘contante verrekening’.

Clearing
Het administratief en financieel afwikkelen en garanderen van effectentransacties. De clearing van transacties reduceert maximaal het tegenpartijrisico voor de belegger.
Closing buy
Engelse term voor ‘sluitingskoop’.

Closing sell
Engelse term voor ‘sluitingsverkoop’.

Contante verrekening
De verrekening op basis van de afrekenkoers van een derivatenpositie in geld in plaats van levering van de onderliggende waarde. Contante verrekening noemt men ook wel ‘cash settlement’.

Contractgrootte
De gestandaardiseerde hoeveelheid onderliggende waarde bij een optiecontract. De standaardhandelseenheid in Amsterdam van aandelenopties is 100 aandelen.

Contractspecificaties
De voorwaarden van een contract. De contractspecificaties van een optiecontract zijn bijvoorbeeld gestandaardiseerd voor waar het betreft de looptijden, de wijze van uitoefenen en de hoeveelheid onderliggende waarde.

Conversie
Optiestrategie waarbij men kunstmatig een ‘shortpositie’ in een aandeel namaakt. Men schrijft een call en koopt een put met dezelfde uitoefenprijs en dezelfde looptijd. Op deze manier wordt elke euro stijging of daling in de onderliggende waarde exact nagebootst in de optiepositie.

Cox-Rubinstein-formule
Een door de Amerikaanse economen John Cox en Mark Rubinstein ontwikkeld wiskundig model om de theoretische prijs van opties te berekenen. De Cox-Rubinstein-formule gebruikt men voornamelijk voor de waardering van opties met Amerikaanse stijl.

Cyclus
Iedere optie kent een bepaalde looptijd. Die looptijd is verstreken in de afloopmaand. De resterende looptijd van een optie neemt met het verstrijken van de tijd dus af. Om die reden introduceert men periodiek opties met nieuwe afloopmaanden met de oorspronkelijke initiële looptijd. Dit periodiek introduceren vindt plaats volgens een bepaald schema, ofwel cyclus. Voorbeelden van een dergelijke cyclus zijn: opties met een looptijd van vijf jaar introduceert men één keer per jaar in de maand december, opties met een looptijd van negen maanden vier keer per jaar met als afloopmaand maart, juni, september of december. De laatste jaren is de tendens steeds kortere initiële looptijden, tot zelfs twee dagen aan toe voor indexopties.

D

Dagoptie
Dagopties zijn kortlopende opties op de AEX‑index. Deze opties hebben een looptijd van twee dagen: de dag van introductie en de dag dat zij aflopen. De dagoptie die maandag in de notering komt, loopt op dinsdag af. Er is geen dagoptie die op vrijdag expireert omdat er al week- of maandopties beschikbaar zijn met een vrijdag als expiratiedag. Wanneer de expiratiedag van de desbetreffende optie geen geen handelsdag is of wanneer de beurs op een vroeger tijdstip sluit op die dag, vindt ook geen notering van dagopties plaats.

Deep-in-the-money-optie
Een calloptie waarvan de uitoefenprijs veel lager is dan de koers van de onderliggende waarde. Of een putoptie waarvan de uitoefenprijs veel hoger is dan de koers van de onderliggende waarde.
Dekkingseisen (margin)
Voor ongedekte geschreven optieposities zal de bank of broker een zogenoemde margin eisen. De soort en de hoogte van de dekking bepaalt de bank of broker.

Delta
De verandering van de optiepremie ten opzichte van een koersverandering van de onderliggende waarde uitgedrukt in een percentage. Als bijvoorbeeld de koers van een aandeel met € 1 stijgt en de optiepremie slechts met € 0,30, spreekt men van een delta van 30. De optiepremie volgt de koersbewegingen van het aandeel voor 30%. Naarmate de optie meer in-the-money is, zal de delta hoger zijn. Delta’s zijn dus niet constant.

Derivaten
Opties zijn zogeheten derivaten of afgeleide producten van een onderliggende waarde zoals aandelen, ETF’s, indices en valuta’s.

Derivatenbeurs
Centrale, gereguleerde marktplaats waar handel plaatsvindt in afgeleide producten zoals opties.

Dollar/euro-optie
Een optiecontract met als onderliggende waarde US$ 10.000.

Doorrollen
Het sluiten van een positie in een kortlopende optieserie en het openen van een positie in een langer lopende optieserie.

E

EDSP
Exchange Delivery Settlement Price. Zie ‘afrekenkoers’.

ETF-opties
Opties die een Exchange Traded Fund (ETF) als onderliggende waarde hebben.

Euro/dollaroptie
Een optiecontract met als onderliggende waarde € 10.000.

Europese stijl
Er zijn opties met ‘Amerikaanse stijl” en opties met ‘Europese stijl’. Het verschil tussen beide stijlen is de wijze van uitoefenen. Bij een optie Europese stijl is het recht uitsluitend aan het einde van de looptijd, op de expiratiedatum, uit te oefenen. Een optie met Amerikaanse stijl is gedurende de gehele looptijd uitoefenbaar. Beide soorten zijn gedurende de gehele looptijd verhandelbaar.

Exercise
Het uitoefenen van het kooprecht bij callopties of het verkooprecht bij putopties.

Expiratie
Het ophouden te bestaan, ‘expireren’, van een optie. Een optie heeft altijd een bepaalde looptijd; na het bereiken van de einddatum (expiratiedatum) bestaat de optie niet meer.

Expiratiecyclus
Vast schema dat de introductie van nieuwe afloopmaanden bepaalt.

Expiratiedatum
De datum waarop een optie ophoudt te bestaan. Tot op dat moment zijn de aan de optie verbonden rechten uitoefenbaar.

F

Fysieke levering
De afwikkeling van een aangegane positie in opties door levering van de onderliggende waarde, bijvoorbeeld aandelen.

G

Gamma
De gamma meet in welke mate de delta van een optie varieert bij een beweging in de onderliggende waarde. Het is de afgeleide van de delta.

Gedekt schrijven
Schrijven van callopties terwijl men de onderliggende waarde bezit (en houdt).

H

Handelstijden
De gereguleerde handel in aandelen, obligaties, opties, financiële futures, warrants, trackers en structured products mag alleen plaatsvinden op vastgestelde tijden.

Hedge ratio
De verandering van de optiepremie gedeeld door de verandering van de koers van de onderliggende waarde. De hedge ratio geeft aan in welke mate de optieprijs verandert bij een koersverandering van de onderliggende waarde. Bedraagt de hedge ratio van een calloptie 0,80 en stijgt de koers van de onderliggende waarde met € 0,50, dan verandert de prijs van de calloptie met € 0,40 (0,80 x € 0,50 = € 0,40). De delta van een optie is de contractgrootte (meestal 100) x de hedge ratio.

Hedgen
Engelse term voor ‘afdekken’. Hedging is het afdekken van risico’s door het aangaan van een andere positie.

Hefboomwerking
De mogelijke winst op een optie kan procentueel hoger zijn dan de mogelijke winst op de onderliggende waarde. Dit, omdat bij een geringere investering de winstkansen gelijk zijn. Dit effect noemt men de ‘hefboomwerking’.

Historische beweeglijkheid
De beweeglijkheid van een onderliggende waarde over een bepaalde periode in het verleden, gemeten in een percentage.

I

Implied volatility
De beweeglijkheid die is af te leiden uit de marktprijs van een optie. Het is de graadmeter voor de door de marktpartijen verwachte beweeglijkheid van de onderliggende waarde gedurende de resterende looptijd van de optie.

Indexoptie
Een optiecontract met als onderliggende waarde het mandje van een index. Als men bijvoorbeeld belegt in een AEX-optie, belegt men in de waarde van 100 x de stand van de AEX-index.

In-the-money-optie
Een optie is in-the-money als deze intrinsieke waarde heeft. Callopties zijn in-the-money als de uitoefenprijs lager is dan de koers van de onderliggende waarde. Putopties zijn in-the-money als de uitoefenprijs hoger is dan de koers van de onderliggende waarde.

Intrinsieke waarde
Bij aandelen: de theoretische waarde van het aandeel, gebaseerd op de waarde van de bezittingen van een onderneming minus de eventuele schulden.

Bij callopties: de koers van de onderliggende waarde minus de uitoefenprijs. Als aandeel ABC € 55 noteert, dan heeft een calloptie met uitoefenprijs van € 50 een intrinsieke waarde van € 5 (€ 55 min € 50 = € 5). Bij putopties: de uitoefenprijs minus de koers van de onderliggende waarde. Als het aandeel XYZ € 60 noteert, dan heeft een putoptie met een uitoefenprijs van € 65 een intrinsieke waarde van € 5. De intrinsieke waarde van opties kan nooit negatief zijn!

K

Klasse
Alle optieseries op een bepaalde onderliggende waarde met dezelfde handelseenheid vormen samen een klasse. Alle optieseries met dezelfde handelseenheid op het aandeel Heineken vormen samen een klasse, alle opties op de AEX-index® vormen samen ook een klasse.

L

Laatprijs
De prijs die de ‘markt’ wil ontvangen voor de verkoop van een bepaald effect.

Langlopende optie
Opties met een looptijd van langer dan een jaar. Op de optiebeurs in Amsterdam verhandelt men opties met een maximale looptijd van vijf jaar.

Laten
Het afgeven van prijzen waartegen men effecten wil verkopen. ‘Laten’ is het tegenovergestelde van ‘bieden’.

Limiet
De maximale koopprijs of de minimale verkoopprijs.

Liquidity provider
Een member van de optiebeurs  die voor eigen rekening en risico een markt onderhoudt in een of meer optiefondsen. Liquidity providers hebben een liquiditeitsverhogende functie. Een liquidity provider handelt niet voor derden.

Longpositie
Een ander woord voor een ‘kooppositie’. Men krijgt een longpositie door het kopen van een effect. Het tegenovergestelde van een ‘longpositie’ is een ‘shortpositie’.

Looptijd
Opties hebben een bepaalde levensduur, de zogeheten looptijd.

M

Mandje
Pakket van verschillende aandelen die men gezamenlijk verhandelt. Een mandje is het pakket aandelen waaruit een index is samengesteld.

Margin
Zie ‘dekkingseis’.

O

Ongedekt schrijven
Schrijven van een calloptie zonder dat men de onderliggende waarde in bezit heeft. Dit kan aanzienlijke (financiële) risico’s met zich meebrengen! Ongedekt schrijven noemt men ook wel ‘naakt’ schrijven. Schrijven van een putoptie is altijd ongedekt.

Open buy
Engelse term voor een ‘openingskoop’.

Open interest
Het totale aantal openstaande optiecontracten op een bepaald moment.

Open sell
Engelse term voor een ‘openingsverkoop’.

Openingskoop
Een transactie waarbij de belegger een optie koopt. Een daaropvolgende verkoop van die optie heet een ‘sluitingsverkoop’. De eerder aangegane positie draait men terug (‘sluit men’). Bij de optiehandel spreekt men doorgaans van een ‘open buy’.

Openingsverkoop
Openingstransactie waarbij de belegger ‘short’ gaat. Bij de optiehandel spreekt men meestal van een ‘open sell’.

Optie
Het recht om een bepaalde vaste hoeveelheid onderliggende waarde (bijvoorbeeld aandelen te kopen of te verkopen tegen een vooraf vastgestelde prijs gedurende een bepaalde periode. Bij de koop van een optie betaalt men premie, bij de verkoop van een optie ontvangt men premie.

Optiepremie
De prijs van een optie. De optiepremie bestaat uit de intrinsieke waarde plus de tijd- en verwachtingswaarde. De premie van een optie is uiteraard variabel.

Orderboek
De algemene benaming voor een geautomatiseerd administratief systeem waarin gelimiteerde orders waarvan uitvoering (nog) niet mogelijk is, centraal worden beheerd.

Out-of-the-money-optie
Een optie zonder intrinsieke waarde noemt men out-of-the-money. Een calloptie is out-of-the-money wanneer de uitoefenprijs hoger is dan de koers van de onderliggende waarde. Een putoptie is out-of-the-money als de uitoefenprijs lager is dan de koers van de onderliggende waarde. De premie van een out-of-the-money optie bestaat alleen uit tijd- en verwachtingswaarde.

P

Pari (à)
Tegen nominale waarde.

Pariteit
Een optie noteert pariteit als de uitoefenprijs plus de premie van een optie gelijk zijn aan de koers van de onderliggende waarde. Een calloptie met uitoefenprijs van € 25 en een premie van € 2,50 noteert pariteit als de onderliggende waarde € 27,50 noteert.

Plain vanilla
Letterlijk: gewoon vanille. Een Amerikaans-Engelse uitdrukking voor de meest simpele variant van een (beleggings)product. Net zoals een plain vanilla ijsje een heel gewoon ijsje is, is een plain vanilla optie een standaard call- of putoptie.

Premie
Zie ‘optiepremie’.

Price spread
Het gelijktijdig kopen en schrijven van opties van dezelfde klasse en afloopmaand, maar met verschillende uitoefenprijzen. Bij een combinatie van calls heeft de gekochte calloptie een lagere uitoefenprijs dan de geschreven; bij een combinatie van puts heeft de gekochte putoptie een hogere uitoefenprijs dan de geschreven.

Putoptie
Een putoptie geeft de eigenaar ervan het recht een van tevoren afgesproken hoeveelheid onderliggende waarde te verkopen tegen een van tevoren afgesproken prijs.

Q

Quote
Engels voor ‘noteren’. De quote is zowel de bied- als de laatprijs die de ‘markt’ op een bepaald moment voor een bepaalde optie biedt en laat. Bij een quote van ‘1,25 - 1,35’ wil de ‘markt’ kopen voor € 1,25 en verkopen voor € 1,35

R

Rendement
Het rendement behaald op geïnvesteerd vermogen. Als een belegger € 100 rente ontvangt over een tegoed van € 1000, dan bedraagt het rendement op zijn belegging 10%.

Reversal
Optiestrategie waarbij men kunstmatig een ‘longpositie’in een aandeel namaakt. Men koopt een call en schrijft een put met dezelfde uitoefenprijs en looptijd. Op deze manier bootst men elke euro stijging of daling in de onderliggende waarde exact na in de optiepositie.

Rho
De rho is de parameter die de gevoeligheid ten aanzien van de veranderingen van de rentestand met betrekking tot de optie aangeeft. Als een optie een rho van 0,5 heeft,  wordt de optie 50 cent meer waard als de rente een procent stijgt.

Royeren
Het intrekken van een opgegeven maar nog niet uitgevoerde effectenorder.

S

Schrijven
Het verkrijgen van een ‘shortpositie’ in een optie door een ‘openingsverkoop’.

Schrijver
Een belegger die een ‘shortpositie’ in opties verkrijgt door een ‘openingsverkoop’.

Serie
Call- of putopties met dezelfde onderliggende waarde, handelseenheid, afloopmaand en uitoefenprijs.

Settlementsprijs
De koers van de onderliggende waarde waarop afrekening plaatsvindt van opties op expiratiedag.
Bij opties op de AEX-index® is deze koers het gemiddelde van de 31 noteringen die op de laatste handelsdag elke hele minuut van 15.30 tot en met 16.00 uur tot stand komen. (Zie ook EDSP en afrekenkoers.)

Shortpositie
Een positie aangegaan door een ‘ ‘openingsverkoop’ waarbij schrijver de verplichting neemt de onderliggende waarde te leveren (calloptie) of af te nemen (putoptie).

Slotkoers
De laatste koers van een effect op een handelsdag.

Sluitingskoop
Optiebeurs: koop van een optie om een openstaande ‘shortpositie’ ongedaan te maken.

Sluitingsverkoop
Verkoop van een gekochte optiepositie. De belegger sluit hiermee zijn positie.

Spread
Het verschil tussen de bied- en laatprijs. Als de ‘markt’ € 12,50 biedt en € 12,60 laat, is de spread dus € 0,10.

Strike price
Engelse term voor ‘uitoefenprijs’.

Synthetic
Dit is de verzamelnaam voor optiestrategieën die de werking van een aandeel nabootsen

T

Theta
De theta geeft aan in welke mate een optie minder waard wordt naarmate de tijd verstrijkt. De theta wordt uitgedrukt in waardevermindering van een optie per dag.

Transactiekosten
De aan- en verkoopkosten die een bank/broker berekent aan een klant bij het kopen en verkopen van effecten.
Tijd- en verwachtingswaarde
De optiepremie minus de intrinsieke waarde. Rente, dividend, de resterende looptijd en de beweeglijkheid van de onderliggende waarde bepalen de tijd- en verwachtingswaarde.

Tussentijds uitoefenen
Het uitoefenen van een optierecht voordat de optie afloopt. Alleen opties Amerikaanse stijl kan men tussentijds uitoefenen.

U

Uitoefenen
Het gebruikmaken van het kooprecht bij een calloptie, respectievelijk het verkooprecht bij een putoptie. De uitoefening van een optierecht noemt men ook wel ‘exercise’.

Uitoefenprijs
De prijs waartegen de koper van een calloptie de onderliggende waarde kan aanschaffen, of waartegen de koper van een putoptie de onderliggende waarde kan verkopen. Men noemt de uitoefenprijs ook wel ‘strike price’.

V

Valutaoptie
Een optie met een bepaalde hoeveelheid valuta als onderliggende waarde.

Vega
De vega geeft aan wat de gevoeligheid is voor veranderingen in de verwachte volatiliteit. Als de vega van een optie 2 is, dan houdt dat in dat de optie 2 euro meer waard wordt als de verwachte volatiliteit één procent stijgt.

Volatility
Engels voor ‘beweeglijkheid’ of ‘volatiliteit'. Het begrip volatility duidt de beweeglijkheid van de koers van een effect aan. Een hoge volatility betekent dat de koers van een fonds sterk stijgt en daalt binnen een relatief korte periode. Volatility is mede een indicator voor het risico dat een belegger loopt met een bepaald fonds. Volatility is een belangrijke factor bij de waardebepaling van een optie.

Vomma
De vomma meet in welke mate de vega van een optie varieert bij een beweging in de verwachte volatiliteit. Het is de afgeleide van de vega.

W

Weekopties
Weekopties zijn kortlopende opties op de AEX‑index en sommige aandelen. Deze opties hebben een looptijd een week: van vrijdag tot en met de daarop volgende vrijdag. Mocht dat geen handelsdag zijn, dan expireert de weekoptie op de aan die vrijdag voorafgaande handelsdag.

Er vindt geen introductie plaats van een weekoptie die op de derde vrijdag van de maand afloopt. Dan loopt immers al een optie af met een initieel langere looptijd.